A  A 
Share
Mena-fietsroute

Brouwerijen langs de Mena-fietsroute

Brouwerijen hebben in het verleden een belangrijke rol gespeeld. Ze brachten welvaart  voor de plaatselijke bevolking en hebben  hun stempel gedrukt  op sociaal, economisch en cultureel  vlak. Ze maken ontegensprekelijk deel uit van het rijke folkloristische verleden dat we blijvend moeten koesteren.In Rotselaar waren er ooit vijf brouwerijen. Tot op heden was er nog geen gebundelde publicatie over de geschiedenis van deze brouwerijen. Marleen Van Bael heeft deze taak op haar genomen en ontdekte tijdens haar opzoekingswerk dat er nog een zesde brouwerij moet geweest zijn, meer bepaald aan de watermolen in Rotselaar.Hierbij daarom een overzicht van de zes brouwerijen met hun boeiende geschiedenis.

Overzicht

1. Brouwerij Mena

De Mena  was ooit de belangrijkste brouwerij in Rotselaar. Het monumentale gebouw in art-decostijl bepaalt nog steeds het dorpsgezicht van Rotselaar.

2. Brouwerij “De Palmboom” (in de volksmond “De Jack-Op)

In deze brouwerij, die opgericht werd door Felix Van Roost,  leerden de stichters van de Mena “hun stiel”.  Het  bier dat men hier brouwde  heette “Jack-Op”! Het was destijds “het studentenbier” bij uitstek in Leuven. Ernest Claes, de bekende auteur uit Zichem bejubelde dit bier zelfs in zijn boeken…

3. Brouwerij “De Toren”

Theodoor Smedts was de stichter van deze brouwerij. De brouwerij  die vlak naast de donjon  of “Toren ter Heide” gelegen was, kreeg de toepasselijke naam “de Toren”. Theodoor Smedts werd later burgemeester (katholieken) van Rotselaar en was de concurrent van de Mena (liberalen).

4. Brouwerij St.-Job

Dit voormalig brouwerijtje kreeg de naam van de beschermheilige van Wezemaal: St.-Job. Vroeger kwam men op bedevaart naar  Wezemaal om St.-Job te aanbidden. Het bier werd vooral in Wezemaal zelf gedronken. Het brouwerijtje was geen lang leven beschoren…dit zou naar ‘t schijnt vooral  aan  de smaak van het bier gelegen hebben.

5. Brouwerij in voormalige Abdij Vrouwenpark- nu Montfortcollege

Hoogst waarschijnlijk was hier ooit de oudste brouwerij van Rotselaar. Deze Cisterciënzerinnenabdij werd opgericht begin 13e eeuw door Arnold van Rotselaer. De legende van Beatrijs, die haar kloostergelofte verzaakte om een losbandig werelds leven te leiden, zou in deze abdij hebben plaatsgevonden.

6. Brouwerij “Den Engel” aan Molen Van Doren

Een Middeleeuwse watermolen uit de 12e eeuw, gelegen aan een Dijle-arm, die uitgebouwd werd tot een industriële bloemmolen op waterkracht(turbine). In de 16e eeuw was er al sprake van een moutmolen voor de brouwers. Brouwerij “De Engel” lag vlakbij de molen. De Molen Van Doren werd beschouwd als een concurrent van de Mena, omdat hij tot de katholieke aanhangers behoorde.

Brouwerij Mena

De Mena is een 24 m hoog gebouw in art- deco stijl dat dateert van 1933. Het verhaal van de Mena begint echter al veel vroeger…

Rond 1900 was er in elk dorp of stad één of meerdere brouwerijen. Het waren geen grote brouwerijen maar hoevebrouwerijen. Tijdens de zomermaanden werd er op het land gewerkt en tijdens de wintermaanden gebrouwen. Hierdoor kregen brouwers een status en bijbehorende rijkdom en kregen ze een plaats naast dokters, pastoors en andere notabelen. Vele brouwers werden later ook burgemeester. Zo geschiedde ook in Rotselaar…In 1871 werd er in Rotselaar een fanfare opgericht met de goedkeuring van de pastoor. De fanfare kreeg de naam St.-Cecilia, de patrones van de muzikanten. Theodoor Smedts, één van de stichters van de fanfare , was toen burgemeester. Hij was ook de eigenaar van brouwerij ”de Toren”. In 1879 brak de schoolstrijd los. Zoals op de meeste plaatsen in het Vlaamse land bracht de schoolstrijd ook in Rotselaar  problemen mee tussen de katholieken en de liberalen. Het ontstaan en de geschiedenis van de Mena zijn onverbrekelijk verbonden met de politieke tweespalt tussen liberalen en katholieken.  Er kwam zelfs ruzie binnen de fanfare. Het kwam zelfs zover dat de liberalen het bier van de katholieken niet meer wilden drinken. Edouard Meynckens, een boer afkomstig uit Langdorp,die getrouwd was met de dochter van de oud-burgemeester was één van hen. Hij was ook één van de steunpilaren van de fanfare St.-Cecilia.

Het geschil liep zo uit de hand dat het  voor de vrederechter moest komen. Maar de brokken vielen niet meer te lijmen… Men besliste dat de liberalen de naam en de vlag van St.-Cecilia mochten behouden. Zij werden de “Geuzen”… Een scheldnaam die reeds eeuwen bestond. De katholieken veranderen van naam en werden “de Ware Vrienden” en gingen voortaan door het leven als de “Sussen”. De Rotselaarse politiek werd daarna bijna 100 jaar bepaald door twisten tussen Geuzen en Sussen. Vermits de liberalen het bier van de katholieken niet meer wilden drinken verkozen ze dan maar om het  Jack-Op bier van Werchter te drinken. Edouard Meynckens besloot om in  de brouwerij in Werchter  te gaan werken. Daar leerde hij zijn “stiel”. Toen de tijd er rijp voor was besliste hij om zelf met een brouwerij te beginnen in zijn U-vormige hoeve.

Van hoevegebouw tot brouwerij

Het hoevegebouw werd in 1897 omgebouwd tot brouwerij. Alle activiteiten van de kleine brouwerij concentreerden zich tegen de provinciale weg. In 1905 maakte de oude boerderij plaats voor een nieuw woonhuis. Boven één van de ramen van het woonhuis staat nog steeds de volgende tekst: Ed. Meynckens-SC-1905 (SC=Sabrina Cordemans, de vrouw van de stichter). Van op de straat bekeken had je links eerst het woonhuis, dan de inrit, daarnaast een werkruimte(bureel), verder de “vierkante” schoorsteen met de stoomketel, daarnaast  de machinekamer en dan de brouwerij. Achter het bureel waren er 4 ruimtes die dienst deden als magazijn, kolenmagazijn en remise. Achter het woonhuis bevonden zich enkele kelders met daarvoor een overdekte loskade. Later werden ook nog hangars, een remise, een garage en een paardenstal gebouwd. Naast de brouwerij had men een open ruimte : “den hof”. Dit is de plaats waar nadien het hoofdgebouw van de Mena kwam (1933). Door de jaren heen werden er verschillende verbouwingen gedaan. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er een dakkapel om zakken met een katrol gemakkelijker naar boven te hijsen. Er kwam ook een nieuwe ronde schoorsteen die een stuk hoger was dan de vorige.

De twee zonen van Edouard, Achilles en Valère, hielpen ook mee in de brouwerij. Op 23 januari 1914 sloeg het noodlot echter toe. Achilles raakte bij het oliën van een machine met zijn sjaal gekneld in een tandrad en werd tussen de machines gewurgd. De andere zoon, Valère, volgde brouwerijschool te Leuven en ging nadien in verschillende landen stages doen (Duitsland, Tsjechoslowakije). Vlak voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak ging hij in de brouwerij in Elsene (Ixelles) van de familie Lanoy werken.

De oorlog 14-18 bracht veel ellende mee. Er werden materialen (koper om militair materiaal mee te maken) maar ook paarden meegenomen door de Duitse bezetters Ook de brouwerij van Meynckens kreeg bezoek! Tijdens en na de oorlog waren de gebruikelijke grondstoffen om bier te maken bijna niet meer te verkrijgen. Men gebruikte dan maar graan en bieten en bieten om te brouwen Door het gebruik van verschillende grondstoffen kon men geen constante kwaliteit meer leveren. Van brouwen kwam niet veel meer in huis, zeker niet toen vader Meynckens in 1916 overleed. Na de eerste wereldoorlog moesten vele brouwerijen in ons land de deuren sluiten. Diegene die overeind bleven gingen samenwerken. De zoon, Valère, wilde de brouwactiviteiten verder zetten, maar dat kon hij niet alleen. Hij zocht en vond hulp bij Henri Nackaerts om verder bier te brouwen in Rotselaar.

Deze Nackaerts werkte eerder ook als brouwersgast in Werchter en had later zijn eigen bierhandel in Rotselaar waar hij het bier van Meynckens  verdeelde. Nu besloten zij om met hun tweeën de brouwactiviteiten in Rotselaar verder te zetten.

De Naam “Mena” is de samentrekking van de eerste letters van beide namen (Meynckens-Nackaerts). Begin jaren ’20 kwam er een derde persoon bij: Charles Cordemans. Cordemans, een ver familielid van Meynckens, was een aannemer uit Brussel en zorgde voor vers kapitaal. In 1922 werd er een vennootschap opgericht  onder de naam Meynckens – Nackaerts. De vennootschap met zetel te Rotselaar  werd gesticht voor een periode van 30 jaar. De drie stichtende vennoten waren Valère Meynckens, Henri Nackaerts en Charles Cordemans. Cordemans was niet alleen geldschieter maar nam ook een deel van de leiding op zich.

De zaken begonnen steeds beter te gaan…Eind jaren 20’ wilde men bier gaan brouwen van lage gisting. De oude gebouwen waren hier echter niet voor geschikt en daarom werd architect Edouard Mispelter uit Leuven aangesproken om een nieuw gebouw te tekenen (zie bijlage1).

Het nieuwe hoofdgebouw (1933)

In 1933 werd het nieuwe gebouw in art-decostijl in gebruik genomen. Naast het gebouw verrees ook een nieuwe, hogere schoorsteen. Het gebouw werd opgetrokken door ‘d’Ateliers de constructions’ F.D’Hondt uit Brussel. Het hoofdgebouw is een waardevol gebouw dat niet meer weg te denken is uit de dorpskom van Rotselaar. De Mena karakteriseert door haar monumentale voorkomen en specifieke bouwvorm al meer dan 75 jaar het dorpsbeeld.

Laten we een kijkje nemen binnen in het gebouw.

Wat was er vroeger en wat is de huidige functie?
Op het gelijkvloers was de machinekamer met het roerwerk. Nu bevindt zich in deze ruimte de toeristische dienst en jeugd-en cultuurdienst. Deze ruimte is nog de meest authentieke van gans het gebouw .  We kunnen hier ook  nog een paar oude frigo's van de Mena bewonderen.
Op de eerste verdieping was vroeger de brouwzaal. Hier startte het echte productieproces. In deze ruimte  is nu de bibliotheek ondergebracht. Er hangen nog een aantal foto’s uit de oude doos die ons aan de brouwerijperiode  herinneren. In de brouwzaal stonden 4 koperen brouwketels die elk hun functie hadden in het brouwproces: de beslagkuip of stortketel, de maïschketel en de kookketel. Iets hoger stond de vierde ketel : de filterkuip. Daarnaast was het bureel van brouwmeester Frederik Zekl. De brouwmeester was een belangrijk persoon in de brouwzaal. Hij bepaalde de hoeveelheid hop en deed de hop zelf in de kookketel. Frederik Zekl was afkomstig van Tsjechoslowakije. Vermits er hier in België op dat ogenblik een tekort aan specialisten was om pils te brouwen ging men zijn specialisten o.a. in Tsjechoslowakije halen. Zij hadden reeds de know-how om blond bier te brouwen. Daar was immers in 1842 het “Pilsener” bier ontdekt in de stad “Pilsen”. De naam “Pilsener” was beschermd en daarom maakten wij er hier “pils” van.

Langs de andere zijde van de filterkuip was de ingang van het labo. Hier controleerde men alles en werden er stalen genomen. Op de tweede verdieping bevindt  zich nu “het Wiplokaal” en de Mena-bar. Op deze verdieping was  vroeger een maalderij om de mout te pletten  Er waren ook  4 grote betonnen moutsilo’s . Ze moesten regelmatig gereinigd worden vanwege het stof en de pelletjes, anders was er kans op ontploffingsgevaar  en brand. Indrukwekkend om  eens in de ruimte van één van deze silo’s te gaan staan. Nu wordt gans deze ruimte gebruikt als multi-functionele zaal en doet o.a. dienst  als raadzaal, toneelzaal, …

Op de derde verdieping zijn er nu een aantal vergaderzalen, die de naam van een Mena-bier gekregen hebben:Priora, Costo en Castar. Deze ruimte diende vroeger als opslagruimte, er waren ook overal buizen en leidingen. De Mena-club is nu een relaxzaaltje om wat bij te praten. We vinden er nu een aantal Mena-attributen (bierviltjes, glazen, flesjes…). Deze ruimte bevindt zich tussen de derde verdieping en het dakterras op 3 b. Hier was vroeger het bovenste gedeelte van de moutsilo’s. Er was voor elke silo een vul- en mangat, hier werd de mout in gedaan. Gerst is het meest geschikte graangewas om bier te brouwen omdat er veel zetmeel inzit. Gerst moet eerst kiemen, dit gebeurt in de mouterij (mout is gekiemde gerst). De Mena zelf had geen mouterij, de mout moest van elders komen. De mout kwam o.a. van Malterie de Boortmeerbeek, Dreyfus en Dylamalt uit Leuven en Cuypers uit Diest.

Ten slotte komen we op het dakterras van de Mena. Hier geniet men van een prachtig panoramisch zicht over de streek. In het noorden ligt Werchter, bekend van brouwerij de Palmboom gesticht door Felix Van Roost. Het bier dat hier gebrouwen werd heette “Jack-Op”. Hier leerden de stichters van de brouwerij hun “stiel”. In noordoostelijke richting zien we de Toren ter Heide met daarnaast brouwerij “de Toren”, die gesticht werd door Theodoor Smedts. Brouwerij “de Toren” was de concurrent van de Mena. In zuidwestelijke richting zien we een hoog gebouw uitsteken. Dit is  mouterij Cargill, een internationaal bedrijf (Wijgmaal). Iets korter bij zien we de Molen van Doren, een Middeleeuwse watermolen uit de 12e eeuw. In de 16e eeuw was hier ook een moutmolen voor de brouwers. Tegenover de molen was er al een brouwerij in de 16e eeuw: de Engel.

Soorten bieren

Er werden in de loop der jaren verschillende soorten bieren gebrouwen in de Mena. Voor de Eerste Wereldoorlog brouwde Edouard Meynckens Boelt en Dobbelen Boelt (bier van hoge gisting). In 1930 brouwde Zekl het eerste blond bier, Castar (heette Export in Wallonië). Andere bieren die er werden gebrouwen:Costo (Mena Pils), Priora,Bruine, Bock, Dort, Stout, Export, Paterke Mena, Diesters, Super Costo. Vanaf 1953 verdeelde de Mena ook Engels bier zoals Stout en Pale Ale, en werd Stout en Schotskensbier niet meer gebrouwen.

Afzetgebied

Mena beschikte over 63 eigen herbergen. Het grootste afzetgebied was in de Kempen. Maar ook in het Leuvense en Brussel had Mena zijn cafés.

Vervoer

Paard en kar(in de beginperiode), evenals vrachtwagens.

Feesten, leuzen en liederen

Van een familiebedrijf rond de eeuwwisseling was de brouwerij Mena begin jaren ’60 uitgegroeid tot een middelgroot bedrijf met meer dan 100 werknemers. Iedereen werkte graag in de brouwerij, een bewijs daarvan is het “lijflied” van de brouwerij. Er werd ook jaarlijks gefeest in de Mena. Bij teerfeesten van de fanfare werd er een koe geslacht. Men ging in stoet van café naar café. Bij elk café hield men even halt om een lekkere Costo of Castar te drinken. Naast de muziekstukken werd ook het liedje van de Mena gezongen (zie lijflied vooraan). De Mena heeft  hierdoor haar bijdrage geleverd op sociaal- en cultureel vlak!

Overname en sluiting

In 1967 waren er een aantal verschuivingen binnen de brouwerswereld: Mena werd toen overgenomen door Artois. Vanaf april 1967 werden een aantal afdelingen gesloten en bleven alleen de brouwzaal, de gisting en de lagering in werking. In 1968 kwam de vervroegde ontbinding en in vereffeningstelling van de vennootschap. De brouwerij sloot definitief haar deuren in 1969. Hiermee komt er ook een einde aan ons Mena-verhaal.

Boek Mena

Over brouwerij Mena publiceerde Herman Voets in 2008 een boek.

Brouwerij Jack-Op ( De Palmboom)

Het begin van het Werchters bier

Tijdens de Middeleeuwen ontstonden in de steden de brouwersgilden. Op het platteland  werd het meeste bier echter artisanaal gebrouwen op de pachthoeven. De grote hoeven, die een moutvloer bezaten, brouwden met een deel van hun granen hun eigen bier. De overschotten werden ter plaatse aan de inwoners van het dorp verkocht.
Op een figuratieve kaart van Pierre de Bersaque uit 1600 vinden we reeds een brouwerij nabij de Dijlebrug, op ongeveer dezelfde plaats waar later de  brouwerij Jack-Op zou verrijzen. We weten dat dit een brouwerij was daar de legende “een moutvloer” vermeld. Er was een houten hefboom aanwezig die diende om water voor de bierbereiding rechtstreeks uit de Dijle te putten.Wat later vermeldt een haardtelling (1755) reeds twintig herbergiers in groot-Werchter, die tevens en vooral “pachters” waren.
Ter gelegenheid van sommige feesten werd er speciaal bier gebrouwen. Zo werden er in Wakkerzeel jaarlijks “tonnen bier gebrouwen” voor de viering van het Broederschap van Sint-Hubertus. In Werchter was er een gilde van  scheepstrekkers.
Speciaal voor hun teerfeest werd “goed bier” gebrouwen. De voornaamste teerdag viel op 24 juni met St.-Jan-de-Doper. De gildebroeders trokken na de plechtige mis, zonder  hun vrouwen, stoetsgewijs door de straten van het dorp. Aan elke herberg werd halt gehouden  om de dorstigen te laven. Daarna werd in het gildehuis  een rijkelijk maal opgediend. ’s Avonds kwamen de vrouwen. Dan speelden de muzikanten volksdansen   en werd er gedanst en gedronken  tot in de morgen. De vrouwen van de gildebroeders  kregen ook hun feest. ’s Maandags na St.-Jan was het aan de vrouwen om plaats te nemen aan de feestdis. Dan werd de befaamde “Werchterse suype” gedronken. Het was een brouwsel van zwaar alcoholisch bier, dat samen met een groot aantal eieren werd gekookt. Menig schiptrekker moest ’s nachts zijn vrouw op een kruiwagen naar huis voeren. Deze twee feesten tonen aan dat ook vroeger feesten en bier drinken onvermijdelijk samengingen. En er werd gefeest…
De tanende scheepvaart op de Dijle en de Demer verplichtte de scheepstrekkers andere werkgelegenheid te zoeken. Die vonden zij in de brouwerij van Felix Van Roost.


Rijk Werchter

Werchter was in de 19e en begin 20e eeuw een welvarende dorpsgemeenschap en het genoot een benijdenswaardige faam. Er werd onderwijs van hoog niveau gegeven door de onderwijzersfamilie Bols. Er groeide een bloeiend groepsleven op godsdienstig vlak, het gildeleven, de muziek en de kunst! Terecht sprak men van “rijk Werchter”.
Hiermee werd niet alleen het geldelijk gewin bedoeld maar wel het feit dat in één kleine gemeente, met een beperkt aantal inwoners, zoveel mensen woonden die zich verdienstelijk maakten op cultureel en artistiek vlak.
De familie Van Roost speelde dan weer een voorname rol op industrieel vlak. Hun brouwerij bracht welstand en werkgelegenheid voor de plaatselijke bevolking.

Het geslacht Van Roost


Het Werchterse bier is nauw verbonden met het Werchterse geslacht Van Roost (zie bijlage 2). De voorouders van de stichter, Felix Van Roost, waren reeds gevestigd in een boerderij-brouwerij aan de Dijle. Het is zeker dat de stichter van de brouwerij uit een gegoede familie afkomstig is. Dit feit wordt nog bevestigd doordat hij  in 1863 huwde met de dochter van de Werchterse notaris. De bierbrouwer Felix Van Roost droomde ervan zijn brouwerij op industrieel niveau uit te bouwen. Hij heeft wellicht op de financiële steun van zijn schoonvader gerekend, maar daarin werd hij teleurgesteld, want de
notaris ging failliet. Gelukkig werd de parochie Werchter toen bestuurd door pastoor Van Overstraeten. Deze pastoor stamde zelf uit een Merchtemse brouwersfamilie en bezat een klein fortuin. Hij bezorgde Felix de nodige kredieten, zodat deze rond 1869 met de uitbreiding en industrialisatie van zijn brouwerij kon beginnen. Het bier dat hij brouwde was een licht bruin bier op basis van geuze. Het viel geweldig in de smaak en het bedrijf groeide. Uit de snel groeiende brouwerij Van Roost ontstond brouwerij de Palmboom en het bier heette Jack-Op! Het bier ging al gauw een plaats veroveren op nationaal vlak. Het werd het Leuvense studentenbier bij uitstek! Het was zeer gegeerd bij de studenten… Ernest Claes bejubelde het bier in zijn boeken (zie literair slot achteraan).Ook na hun studententijd bleven ze Jack-Op drinken. Het bier verspreidde zich zo over gans België!

De naam Palmboom en Jack-Op

In de volksmond werd de brouwerij “de Jack-Op brouwerij” genoemd. Toch had Felix Van Roost een andere naam voor zijn brouwerij gekozen, nl. De Palmboom. Van waar die keuze voor “De Palmboom”? Tot nu toe bestaat er geen zekerheid vanwaar juist die naamkeuze. Iemand schreef ooit dat er  op de plaats waar de brouwerij nu staat voordien een palmboom stond. Dit lijkt mij eerder onwaarschijnlijk. Hoe zou die palmboom daar dan in Werchter terechtgekomen zijn? Zelf merkte ik op dat er op de bierglazen van West-Vleteren ook een palmboom stond. Broeder Manu verwees naar  het wapenschild van de Sint-Sixtusabdij waar  we eveneens een palmboom terugvinden. De palmboom heeft wel degelijk een bijbelse betekenis! De palmboom: een verwijzing naar een vers uit psalm 92,13 ‘Ut palma florebit’(de rechtvaardige zal bloeien als een palmboom). Vermits dat Felix Van Roost zijn industriële brouwerij heeft kunnen opstarten met medewerking van de pastoor zou een bijbelse betekenis een mogelijkheid kunnen zijn, maar zekerheid hebben we niet.
Voor de naam Jack-Op bestaat er een volkse verklaring. Het was kermis en in de herberg bij Jaak zaten vele dorstige kermisvierders. Het was heel warm, er werd veel gedronken en Jaak kon niet meer volgen met zijn bier te schenken in kruiken. Hij moest in zijn kelder afdalen waar de biertonnen lagen. De mensen konden niet wachten…ze  werden ongeduldig. Telkens het hoofd van Jaak boven de keldertrap verscheen, riepen ze: ‘Jaak op, Jaak op’. Zo kreeg het kermisbier de naam “Jack-Op”. De derde letter van Jaek, werd in die tijd met een ‘e’ geschreven. En werd vervormd tot een ‘c’. En de Van Roosten, zij brouwden nadien verder hun Jack-Op…

De bloeiperiode

Felix Van Roost was 27 jaar oud toen hij zijn boerderij-brouwerij omvormde tot een industriële brouwerij. Hij kocht de nodige gronden om het bedrijf op een grotere schaal uit te bouwen. Op die gronden verschenen de eerste gebouwen waarin de koperen brouwketels werden geplaatst. Bestaande gebouwen werden eveneens in de brouwerij opgenomen. Zulk een reeds bestaand gebouw was het gisthuis. Daar konden de inwoners van Werchter hun gist kopen om brood te bakken. Het bedrijf nam geleidelijk aan uitbreiding. Regelmatig werden er gronden bijgekocht en werd er bijgebouwd. De Van Roosten waren niet alleen “brouwers” maar ook “bouwers”.
Gans het dorpsbeeld werd door hun op die manier bepaald. Bierkarren, koetsen en paarden moesten voortdurend bijgekocht worden. Felix Van Roost was bijzonder fier op zijn grote paardenstal en koetshuis. Hij blies ook de Paardenprocessie op de maandag van Sinksen nieuw leven in. Dankzij hem en pastoor Van Overstraeten werd de Werchterse paardenprocessie een toeristische attractie, waar veel families uit de omliggende dorpen naar toe kwamen. Ze bleven hangen op Werchter kermis en daar werd heel wat Jack-Op gedronken. Rond 1900 werden de vier zonen en de enige schoonzoon sterk bij het bier brouwen en -verkopen betrokken. In die tijd werd Werchter een klein paradijs, met de weliswaar tanende scheepvaart op de Dijle, de brouwerij Van Roost, de Pinksterkermis, de paardenprocessie, de lekkere varkenspensen, het gouden krentenbrood en de grote pruimentaarten. Felix Van Roost en zijn zoon Karel waren ‘P.R.-mannen avant la lettre’. Zij wisten hun zaak en zichzelf zo sympathiek te maken, dat hun bier overal verkocht werd. Ernest Claes zei dat mijnheer Van Roost ook  jaarlijks  een bezoek bracht aan de studenten. Hij werd dan ontvangen als een weldoener van Vlaanderen over het algemeen, van de studenten in het particulier en mutatis mutandis van de Katholieke Universiteit. Mijnheer Van Roost beweerde ook dat Jack-Op het studeren bevorderde, ’s anderdaags…
Het Jack-Op bier was zeker van goede kwaliteit. In 1897 behaalde het Werchterse bier een gouden medaille op de Internationale Tentoonstelling te Brussel. Drie jaar later kreeg het dezelfde onderscheiding op de Internationale Tentoonstelling te Parijs.
In 1896 ontstond er een conflict tussen de toenmalige pastoor Moorkens, die pastoor Van Overstraeten opgevolgd was, en de brouwer. De brouwer wilde een nieuwe kermis inrichten. Werchter had tot dan toe maar één kermis; terwijl de omliggende dorpen er twee hadden. Maar Pastoor Moorkens dacht aan de gevolgen van een nieuwe kermis! Kermis dat draaide altijd uit op ruzies, schelden en vechten. Ook de “messentrekkers” van Tremelo zakten dan af… “Weer een kermis met gezuip en getier” dacht de pastoor en hij wilde de nieuwe kermis door het gemeentebestuur laten verbieden. De brouwer dacht aan zijn profijt en dreef toch zijn wil door.
De pastoor verbood langs het bestuur van de fanfare “de Vlaamse Leeuw” de muzikanten te laten spelen op de opening van de nieuwe kermis. Maar heel wat muzikanten werkten in de brouwerij van Van Roost. Ze negeerden het verbod van de brave pastoor en het fanfarebestuur en musiceerden toch op die bewuste kermisdag!  ‘ s Anderendaags kregen de “rebellen” een brief dat ze niet meer welkom waren en hun instrument moesten inleveren. Zij werden uit de “Vlaamse Leeuw” verbannen!
De opposanten lieten de uitwijzing niet aan hun hart komen en vormden een nieuwe fanfare onder leiding van de brouwer: “de Vlaamse Leeuw-Bannelingen”.
De naijver tussen de maatschappijen groeide uit tot een haat, die na de Eerste Wereldoorlog het hoogtepunt bereikte  met een onopgeloste moord. Bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen waren er te Werchter 3 partijen : de Geuzen met fanfare Demer- en Dijlegalm, de Watersussen met de fanfare de Vlaamse Leeuw en de Varkens met de fanfare De Vlaamse Leeuw-Bannelingen. De strijd tussen de pastoor en de brouwer werd beslecht met het “wegzenden” van de pastoor naar Mortsel in 1899. Zijn opvolger werd E.H. Jules Oliviers die bij zijn parochianen bekend stond  als een fervente aanhanger van de brouwersfamilie. Hij zorgde er mee voor dat de brouwer Carolus (Charles of Karel) van Roost in 1908 burgemeester werd. Felix Van Roost was 66 jaar en voelde zich te oud om het bestuur van een gemeente op zich te nemen. Het welvarende Werchter met zijn brouwerij waar 115 huisvaders werkten, met zijn asperge-,bonen- en erwtenteelt, met zijn kunstenaars en zijn drie bloeiende fanfares, beleefde een gouden tijdperk. Na de eerste fase van de stichter Felix Van Roost brak de tweede fase aan : N.V. De Palmboom(1911).
Maar toen kwam de oorlog…
Werchter werd twee maal verwoest door de Duitse bezetter. Eén derde van de Werchterse bevolking was op de vlucht. De twee Dijlebruggen werden opgeblazen.
De brouwerij Van Roost werd beschoten en volledig leeggeroofd door de Duitse soldaten, die er verscheidene weken verbleven. Bij de burgemeesterbrouwer werd er geplunderd. Ook de vele paarden die de brouwerij bezat werden gestolen of opgeëist door de Duitsers. Vóór de oorlog bezat de brouwerij 76 paarden, in 1915 nog 10! Nu moest de brouwerij ossen gebruiken om bier te vervoeren. De zolders van de brouwerij moesten als depot voor de granen van de provincie Brabant dienen. De ondertussen oud geworden stichter van de brouwerij sloeg op de vlucht naar Nederland (Hulst) waar hij in 1916 stierf. In de laatste oorlogsjaren verbeterde het leven van de Werchterse inwoners enigszins. Ook met de brouwerij ging het geleidelijk aan beter.
Na WO I verbeterde de kwaliteit van het Jack-Op bier terug en de productie steeg gevoelig. De Jack-Op was bekend over gans België. Ze drukten dit ook uit op hun bierflesjes van 1/3 liter. Daarop plakte men een etiket met de blinde landkaart van België met de tekst: overal (op het Vlaamse deel van de kaart) en partout (op het Waalse deel). Middenin op het etiket, en in het groot, de naam van het bier Jack-Op. En onderaan stond de naam van het dorp waar het bier gebrouwen werd: Werchter.                              
In 1921 verloor Karel (Charles) Van Roost zijn burgemeesterssjerp in de eerste naoorlogse verkiezingen. Hij was de sympathie van een groot deel van de bevolking kwijtgeraakt. De heren Van Roost werden een beetje “de baronnen van Werchter”. Ze spraken Frans en bezaaiden Werchter met villa’s en grote huizen en waren zo uitgestegen boven het gewone volk. Het resultaat van de verkiezingen kwam hard aan, ook voor de leden van de fanfare “de Vlaamse Leeuw Bannelingen”.
Tijdens het Interbellum breidde de brouwerij haar verkooppunten nog meer uit door steeds meer huizen te kopen en in te richten als herbergen. Net voor de Tweede oorlog stonden in één straat van amper 700 m lang, 68 woonhuizen waarvan 25 herbergen, allen eigendom van de Jack-Op! Ondertussen waren we in de derde fase van de brouwerij gekomen : N.V. Jack-Op (1934)
Als concurrenten had de Werchterse brouwerij de bieren van brouwerij Mena in Rotselaar, de brouwerij Het Sas in Boortmeerbeek en vooral de bieren van brouwerij Haacht, gesticht in 1898.
Met de verkiezingen van 1927 werd Karel Van Roost opnieuw burgemeester. Voor niet lang, hij stierf plotseling in 1929. Arthur Van Roost; zijn broer werd toen burgemeester tot 1941.
Toen kwam de Tweede Oorlog…Brouwerij de Palmboom kwam WOII vrij goed door, ondanks het oorlogsfluitjesbier. Want de concurrerende brouwerijen uit de streek leverden geen beter bier. De Jack-Op was een bier van hoge gisting en had zo al meer smaak dan de pilsbieren van de andere brouwerijen die dus bieren van lage gisting op flesjes trokken. De brouwerij verkocht tijdens de oorlogsjaren nog tamelijk veel bier omdat ze zoveel eigen herbergen had.
Na de Tweede Oorlog waren de gebroeders Jozef en Felix (de neef van Arthur) de voornaamste beheerders van de brouwerij. Ghislain Van Roost, een neef van de beheerders, was chef brouwer.
Deze Felix (niet verwarren met de stichter) werd ook weer burgemeester. Ondanks zijn grote gestalte, kreeg hij de toenaam ”kleine Felix” omdat hij de kleinzoon was van “grote Felix” de stichterbrouwer.

Het einde van het Werchterse bier

De familie Van Roost werd te groot en er kwamen veel meer bazen dan eigenlijk nodig was. De clan Van Roost raakte verdeeld, intriges en omkoperij waren schering en inslag.
De brouwerij kwam in 1953 in liquidatie en werd overgenomen door Brouwerij Caulier uit Ghlin op 01.02.1954.
In 1968 stopte men met brouwen. Een deel van de gebouwen werd verder gebruikt als depot.  Naast Jack-Op verkocht men o.a. nog Perle Caulier en Horse Ale in de brouwerij Caulier. De brouwerij uit Wallonië ging echter ook failliet. Er werd een curator aangesteld en vele werknemers kregen hun ontslag, terwijl anderen het zinkende schip zelf verlieten. Het depot in Werchter werd definitief gesloten in 1970.
Dit was het einde van de brouwerij Jack-Op!De Amerikaanse brouwerij Schlitz die de brouwerij uit Ghlin overnam ging op haar beurt ook weer failliet.
Nadien werd de licentie verkocht aan volgende brouwerijen : Brabrux in Wolvertem (in de Lambick en geuze streek) tot 1990, daarna Brouwerij De Neve van 1990 tot 1992. Amper 2 jaar duurde dit verhaaltje en dan verhuisde jack-Op naar de brouwerij van Constant Vandenstock (Belle Vue) in Anderlecht.
Maar Belle Vue werd in 1992 dan ook weer overgenomen door Inbev uit Leuven. Het bedrijf in Leuven werd groter en internationaler. Het nieuwe management besliste om een aantal, voor hen niet rendabele bieren, niet meer te brouwen. Het oorspronkelijk Werchterse bier stond op die lijst! En wat werd gevreesd, geschiedde ook…in de loop van 2008 was het gedaan met Jack-Op!


Het geheim van het Jack-Op bier

Niemand heeft tot op heden de juiste samenstelling van het oorspronkelijk Jack-Op bier kunnen bemachtigen. Op het ogenblik dat de brouwerij in de jaren ’50 overgenomen werd door Caulier, hebben ze het recept niet doorgegeven. Wat we wel weten is dat het bier lange tijd moest rijpen in grote vaten, wat erop wijst  dat er wel degelijk een soort lambic bier gebrouwen werd in Werchter. Jack-Op was alleszins een combinatie van een spontaan gistingsbier (lambic) en een hooggistingsbier. Het bier werd versneden met eigen geuze en lambiek. Het kon enkel met Werchters water gebrouwen worden, werd verteld. De brouwers uit het Pajottenland en het Brusselse beschouwen het bier dat buiten het Brusselse wordt gebrouwen niet als echte Lambic.
Rond de eeuwwisseling (1900) kocht Felix Van Roost een groot huis in Brussel. Het ganse gebouw werd gerenoveerd. Zou het kunnen dat er daar lambiek werd gebrouwen en/of aangekocht en dat dit bier nadien verder versneden werd in Werchter? Eén ding staat vast: Felix Van Roost was erin geslaagd om een soort lambiek te brouwen buiten de “heilige zone”.
Jack-Op werd zo het meest verkochte versnijbier van België!

Huidige toestand

Het statige, evenwichtige hoofdgebouw, vier verdiepingen hoog en het aanleunende bedrijfsdeel, vijf verdiepingen hoog, werden nadien tot woonhuis en appartementen omgebouwd. Sinds vorig jaar (2008) zijn ze onbewoonbaar verklaard en staat het brouwerijgebouw, dat helemaal aan het vervallen is, te koop. Hopelijk wordt dit gebouw gered…en voor afbraak behoed! Het gebouw van de vroegere  burelen van de brouwerij, waar voordien een pastorie was met een prachtig park met vijvertjes (Abdij van Park) die tijdens de oorlog verwoest werd , werd later een gebouw waarin Stageco zich vestigde evenals de organisator van Rock Werchter.
Het gemeentebestuur van Rotselaar bouwde in 2001 de vroegere elektriciteitscentrale en smederij van de brouwerij om tot het “Cultuurcentrum Jack-Op”. Het is nu een gemeenschapscentrum dat gebruikt wordt voor concerten, toneelvoorstellingen en andere tentoonstellingen. Hierdoor staat het gebouw nu ten dienste van de gemeenschap!

Brouwerij De Toren (aan torenTer Heide) 

Wanneer we hier stoppen valt ons oog onmiddellijk op de indrukwekkende donjon of woontoren, Toren ter Heide, die een uniek grondplan heeft in de vorm van een Grieks kruis. De eerste zekere  vermelding van de toren dateert van 1430-40, maar werd waarschijnlijk al eerder gebouwd, rond 1350, door Gerard vander Heyden, drossaard van Brabant. De toren moest zijn prestige onderstrepen en om de gelijkenis met de oude , feodale woontorens nog te vergroten liet hij er een hofgracht rond graven. De toren telt 6 verdiepingen, onderling verbonden door een wenteltrap.
De toren is opgetrokken in baksteen op witstenen basis , die rechtstreeks in het water staat. De speklagen, afwisselend, bruine en witte steen, zijn typisch voor het Hageland. Ze werden pas later toegevoegd (19e eeuw). De toren is sinds 3 juli 1942 beschermd als monument. Hij kreeg nadien nog een grondige restauratiebeurt. De toren is thans niet meer toegankelijk voor het publiek.
Bart Minnen wijdde een grondige studie aan het ontstaan van “het Hof Terheyden” . Terheyden was een ontginningshoeve uit de 13e, mogelijk uit de 12e eeuw, die zich duidelijk onderscheidde van alle omliggende. Terheyden bestond reeds vóór 1265: in een oorkonde van Arnold V, heer van Rotselaar, getuigde “Gerardus dictus de Heyda” als schepen. Terheyden was een leen van de heren van Rotselaar.
Naast de indrukwekkende donjon werd er later op Terheide bier gebrouwen door verschillende opvolgers. De laatste in de rij was de familie Smedts, die aanvankelijk als huurder van de hertog van Arenberg en daarna als bezitter een klein bierfabriekje runde.
De familie Smedts nam hun intrek op het domein van de Toren ter Heide in 1869. Theodoor Smedts was eerst landbouwer en brouwde daarnaast nog zijn bier. Hij stichtte zijn “Brouwerij De Toren”, genoemd naar de gelijknamige donjon die er naast stond. De brouwerij had zijn eigen hopveld op de driehoek tussen de huidige Terheidelaan en de ingang van Terheide.
Theodoor Smedts trouwde met Anna Van Den Panhuyzen. Ze kregen samen 8 kinderen.
De fanfare van Rotselaar was één van de goede afnemers van hun bier. Binnen de fanfare kwam er echter onenigheid en de meer liberaal denkende tak wou het bier van de familie Smedts niet meer drinken. De fanfare werd gesplitst: de liberalen St.-Cecilia , gingen bier drinken van Edouard Meynckens (Mena), de “Ware Vrienden” bleven het bier van Smets drinken.
Theodoor Smedts verhuisde in 1904 naar het dorp in Rotselaar. Hij is burgemeester geweest van 1875 tot 1911 en is overleden in 1913.
Het was één van zijn zonen Denis, die tot dan in de Herbergstraat 128 te Rotselaar woonde en terug naar  Ter Heyde verhuisde en de brouwerij verder uitbaatte. Hij kocht het domein van de hertog Van Arenberg. Samen met zijn zonen Paul, René en Eugène werd er verder gebrouwen. Uit die periode hebben we een franstalig etiket teruggevonden van Idéal –Sterk met als opschrift: Brasserie à Vapeur la Tour-Rotselaer.In 1909 hebben ze met één van hun bieren “de gouden medalie” in Antwerpen gewonnen en in datzelfde jaar wonnen ze in Rotterdam “de internationale groote eerprijs”. Paul en Eugène verhuisden in de jaren 20 naar Sint-Gillis. Het was de andere broer, René,  die de brouwerij in Rotselaar overnam.                                    
De specialiteit van Terheide was de lambik en de “dikkop”. Ook hun “Rotselaarse” bruine kon de vergelijking met de Aarschotse bruine goed doorstaan. Verder werd er nog Wit Kop, Extra Stout van de Tower Brewery, Faro, Dubbel Diesters, Fyn Special, Blond en Stout gebrouwen. Er werkten bijna 20 arbeiders.
Toen in de jaren ’30 de zaken beter gingen, begonnen de andere broers en zussen van René een deelname in de winst te vragen en zij verhoogden de huur van het domein Ter Heide. Voor René die terug leven in de brouwerij had gebracht, was dit het sein om naar een andere locatie uit te kijken en die vond hij in Kampenhout. Daar stond de brouwerij van Wouters leeg en René kocht de gebouwen. De “Toren” werd “de Biertoren” en verhuisde naar de Brouwerijstraat in Kampenhout.
Nadien bleven de geklasseerde gebouwen in Rotselaar er een beetje verweesd bijliggen. Van 1973 tot 1987 heeft het toenmalige Beatrijsgezelschap er de oude brouwzaal  als ontmoetingsplaats ingericht ten bate van de bezoekers. Er zijn nu plannen om in de toekomst eventueel een Bed &Breakfast in de gebouwen te vestigen.
De zonen van René hebben de brouwerij in Kampenhout  nadien verder gezet tot ze in 1993 gesloten werd. Een deel van de gebouwen werd omgebouwd tot feestzaal “Den Ast”.
Toch zijn er nog voldoende zaken tentoongesteld die ons laten zien dat er een brouwerij is geweest.

Brouwerij in abdij Vrouwenpark (thans Montfortcollege)

In deze voormalige abdij was hoogst waarschijnlijk ooit de oudste brouwerij van Rotselaar terug te vinden.
Reeds zeer vroeg is er sprake van brouwerijen in kloosters. De allervroegste “kloosterbrouwerij” vinden we terug in het Zwitserse St.-Gallen en dateert van het jaar 754. De broeders hadden een voorsprong op het volk, omdat ze konden lezen en schrijven en hun brouwkennis dus zonder fouten konden doorgeven.
In de meeste kloosters lagen de bakkerij en de brouwerij vlak bij elkaar omdat zij met dezelfde grondstoffen, graan en gist, werkten.
De kloosterbrouwerij van Vrouwenpark, die vermeld werd in 1450, dateert zeker van vóór 1415: toen werd er immers al mout gemalen op haar molen te Dieve. Het abdijbier viel niet in de smaak bij vreemdelingen. Toen een groep ruiters in 1492 de abdij aandeed, moesten de monialen bier gaan halen in hun andere brouwerij (“camme”) in Dieve, “want sy ons bier niet en mochten”, zo vermeldde de abdijrekening. Die tweede brouwerij bestond zeker al in 1488.
Hoe moeten we ons die brouwerijen van toen nu voorstellen? Deze brouwerijen
waren eerder primitief in vergelijking met nu. De kookketel om de wort te koken was het belangrijkste werktuig en dit in een relatief kleine ruimte. Na het brouwen werd het bier vaak direct geconsumeerd. Het was immers maar enkele weken houdbaar.
Wie brouwde er in Vrouwenpark? Wellicht zal het een lekenbroeder of lekenzuster geweest zijn (of enkele). In kleinere gemeenschappen zoals in Vrouwenpark waren diegene die brouwden vaak ook diegene die bakten (zo had je minder problemen met de graanverdeling tussen bakkerij en brouwerij). Je had “klein bier” voor het personeel, de poort en de lekenzusters. Dit was een soort tafelbier van gemiddeld 0,5 tot 1,5 graden. Een iets zwaarder bier voor de sociaal betere gasten, de koorzusters en de zieken. En de abdis, evenals de pastoor/kapelaan, en de gasten en koorzusters bij feesten,die dronken ofwel wijn of straf bier (3 tot 3,5°). Het zware bier was een feestbier dat niet altijd gebrouwen werd. In aantekeningen uit de kerkelijke visitaties vernemen we : “Weer wordt er geklaagd over wanordelijkheden in het koor op de feestdag van Onnozele kinderen. Men geeft “bier” en brandewijn aan de novicen. Om misbruiken te voorkomen moet de keldersleutel bewaard worden”.

Abdij Vrouwenpark : historiek

In een vrij korte periode (ca.1182-1247) zien we in de Nederlandse vorstendommen vele cisterciënzerinnenabdijen als paddenstoelen uit de grond schieten. Kort vóór 1215 ontstaat ook in Rotselaar een Cisterciënzerinnenabdij : zij krijgt de mooie naam Vrouwenpark. Arnold van Rotselaar, een plaatselijke ridder, was waarschijnlijk de stichter. Hij woonde in een burcht bij de Dijle in Rotselaar. Hij stelde hiertoe zijn “park” of jachtgebied in een beboste hoek van Rotselaar ter beschikking. De abdij stond onder geestelijke supervisie van Villers. Van bij de aanvang wordt vrouwenpark rijkelijk begiftigd met een reeks “tienden” in de omgeving en met een hoeve en watermolen in het nabij gelegen gehucht Dieve (de abdij lag zeker niet op een woeste, eenzame plek, maar op een boogscheut van de oude weg van Leuven naar Aarschot). In de loop van de 13e eeuw slaagt de abdij tienden te verwerven in Rotselaar, Wezemaal, Tildonk, Erps, Korbeek-lo, Hakendover, Wommersom, Zittert-Lumen en Grez-Doiceau. Verder bezat Vrouwenpark hoeven te Buken, Nieuwrode, Sint-Pieters-rode, Wommersom, Kumtich en Zuurbemde, die aanvankelijk aan conversen werden toevertrouwd en later in pacht werden uitgegeven.
Deze middelgrote abdij werd voornamelijk bevolkt door dochters uit vooral ridderlijke en patricische families uit het Leuvense en Oost-Brabant. Vrouwenpark zou in haar eerste decennia het toevluchtsoord geweest zijn van Rachel, een tot het katholicisme bekeerde Jodin uit Leuven, die als gelukzalige Catharina van Leuven een plaats heeft verworven op de kalender van de rooms-katholieke Kerk. Ook de beroemde legende van Beatrijs , die haar kloostergelofte verzaakte  om een losbandig en wereld leven te leiden  zou zich in deze abdij afgespeeld hebben.
In de 14e en 15e eeuw is er geen noemenswaardige aangroei meer van het abdijdomein. Uit 1260-1275 stamt een sierlijk beeld van O-L-Vrouw met Kind, dat tot de mooiste Gotische sculpturen van dit thema wordt gerekend. Het bevindt zich momenteel in de St.-Pieterskerk in Rotselaar. De abdij en haar bezittingen komen gehavend uit de burgeroorlog tegen Maximiliaan van Oostenrijk (1488-1492), maar een periode van langdurig verval treedt in met de Tachtigjarige Oorlog. Tussen 1578 en 1595 wordt de streek haast bestendig onveilig gemaakt door oorlogshandelingen en voorbijtrekkende troepen. De monialen nemen dan herhaaldelijk hun toevlucht tot hun refuge te Leuven. De abdijgebouwen worden geplunderd en deels vernield. In 1635 tijdens het beleg van Leuven door de Hollandse en Franse legers wordt weer veel geplunderd en gestolen (vee, klokken, orgel, twee ketels van de brouwerij). Pas onder de Spaanse abdis Robertina d’Amenzaga(1655-1664) beleeft Vrouwenpark een nieuwe, maar kortstondige bloei. Uit die tijd dateert het Abdissenkwartier (1661), kort nadien gevolgd door de boerderij en de proosdij. Na Robertina d’Amenzaga ging het religieuze leven definitief achteruit. Tegen het einde van de 18e eeuw vierde de decadentie hoogtij. In 1796 werd de abdij door het Franse bewind opgeheven. De gebouwen werden opgekocht door een zekere citoyen Hurlet uit Brussel. Wat later in 1814  kocht de Antwerpse burger Jean-Baptiste Moerinckx, gehuwd te Rotselaar, het voormalig abdijcomplex. Van de nu nog bestaande 17e- eeuwse gebouwen maakte hij  een kasteelcomplex, met als residentieel deel het oude abdissenkwartier. De oudere, veelal middeleeuwse gebouwen liet hij slopen. Vele middeleeuwse bouwstenen, waarvan  een aantal mooi beeldhouwwerk vertoont, kwamen terecht in de met veel romantische dweepzucht aangelegde neo-gotische parkconstructie (bruggen en een sierlijke gloriette).
 In 1927 kochten de paters Montfortanen uit Leuven het domein over, om er hun Vlaamse school voor novicen in te richten (1928). De Paters Montfortanen waren ook afnemers van het bier van de Mena. Eind jaren ’50 hadden de Paters hun eigen cafeetje  “de Vurige Zeug”, genoemd naar een legende die zich daar ooit zou afgespeeld hebben, op hun domein. Daar kon bier van’t vat gedronken worden met speciale gelegenheden. In het klooster zelf werd ook Mena-bier gedronken.Pater Moors vertelde mij dat mijnheer Nackaerts van de Mena was komen vragen om een nieuw abdijbier op de markt te brengen dat gelinkt was aan de naam van de abdij. De toenmalige kloosteroverste weigerde hier echter op in te gaan. Hij wou hun naam niet verbonden zien aan bier!
In 1998 werden opgravingen verricht in samenwerking met HAGOK. Er werden toen 4 grafzerken en een 13e eeuwse grafzerk van een tot dan onbekende abdis- Ida van Moerzeke – blootgelegd. Tot op heden wordt er in het Montfortcollege, dat een  zeer goede reputatie heeft, lesgegeven. Er verblijven momenteel nog 4 paters en 2 broeders in het klooster. De oudste pater is 96 jaar. Vorig jaar (2008) werd het domein verkocht door de Paters Montfortanen en is momenteel in het bezit van de vzw OLVrouwepark.

Het dagelijkse leven in de abdij

Een gemakkelijk en vrolijk leven leiden kon niet het doel zijn van de man of de vrouw die zich aansloot bij de orde van Citeaux. Deze orde ontstond nadat een deel van de Benedictijnen zich in 1096 ging afscheuren en zich over gans Europa verspreiden.  Bij de zusters waren er 2 categorieën: de koorzusters en de lekenzusters. Voor de eerste was de voornaamste bezigheid het koorgebed, voor de anderen de handenarbeid. In de meeste abdijen waren er  ongeveer 25 koorzusters en een 12-tal werkzusters. Dit was ook het gemiddelde aantal in Rotselaar. Aan het hoofd van de abdij staat de abdis, gekozen voor het leven. Een aantal koorzusters bekleedden verschillende functies in bestuur en toezicht met betrekking tot de gemeenschap en het bedrijf. Want een middeleeuwse abdij vormde niet alleen het centrum van het gebed, geestelijk leven en cultuur, maar ook een zelfstandige economische eenheid. Het landbouwbedrijf nam een belangrijke plaats in, dat zoveel mogelijk zelf moest instaan voor de behoeften van de gemeenschap. Een abdij kon bijna volledig in haar eigen, toen betrekkelijk eenvoudige behoeften voorzien. Naast de abdis of onmiddellijk onder haar stond de priorin die het dagelijks bestuur waarnam en de abdis  verving in de communiteit van de zusters. De abdis verbleef niet in het eigenlijke klooster maar in een apart gebouw, het abdissenhuis. Als gezelschapsdame verbleef bij haar de “kapelaneresse” die vaak een jongere “bloedverwante” was en mogelijke opvolgster. Verder waren er nog de “kassierster” voor materiële en financiële zaken, de “kelderwaarderesse” voor het bewaren van levensmiddelen, de “wijnkelderesse”, de “koornvrouw”, de “kosteresse”, de bestuurster van het brouwhuis, de bestuurster van de bakkerij, de “schoolmeesteresse”… De voornaamste bezigheid van de werkzusters was natuurlijk handenarbeid. Zij werden bijgestaan door een aantal knechten en meiden als bv.: een wagenman, een brouwer, een boshouder, een zager, een schaapherder, een koemaerte, een conventsbode,…

Folklore en carnavalviering

Het was de gewoonte in Vrouwenpark om met Vastenavond aan de armen van Rotselaar en Wezemaal brood, spek en “bier” uit te delen, hetgeen eerst aan de poort en later binnen de muren van het klooster genuttigd werd. Op diezelfde dag kozen de jongens van Rotselaar een vastenavondprins, de Graaf van Lokeren en de meisjes van Wezemaal de Gravin van Lokeren.  Daarna trok de jeugd in vastenavondkledij naar de  abdij. Zij verorberden spijzen en dranken die voor de armen bestemd waren. En daarna werd er gezongen en gedanst in de eetzaal van het dienstpersoneel. In 1621 maakte zich de bedronken jeugd aan grote baldadigheden schuldig. En er werd een klacht ingediend bij de raad van Brabant. In 1632 liep het weer uit de hand… De abdis weigerde een meiboom te geven aan de jeugd, die voor het huis van de boogschutters zou geplant worden. Enkele jonge lieden drongen het domein toch binnen en kapten een eik. Zij beloofden  deze later weer terug te brengen op voorwaarde dat de abdis “hun een vaatje bier zou schenken”. Een nieuwe klacht bij de Raad van Brabant haalde niets uit. Dan besloot men tot een minnelijke schikking over te gaan. Volgens deze overeenkomst (1636) werd de abdij verplicht jaarlijks met Vastenavond in plaats van “bier”, drie rijnse guldens te schenken, daarbij dertien broden en een stuk spek…

Brouwerij Sint-Job

Over dit kleine brouwerijtje vinden we niet zoveel meer terug.
In de 19e eeuw ontstond Brouwerij St.-Job op de hoek van de Langestraat en de Steenweg naar Leuven. Het brouwerijtje bleef bestaan tot 1914-18.
De naam van de brouwerij is natuurlijk niet toevallig gekozen. St.-Job was de beschermheilige van Wezemaal en heel wat pelgrims en bedevaarders kwamen naar Wezemaal om deze man te aanbidden. Het bedrijfje stelde 7 arbeiders te werk en het beschikte over 2 grote bierkarren die elk door 2 paarden werden verder getrokken.
Het bier van St.-Job was vooral een plaatselijk biertje en werd hoofdzakelijk in Wezemaal en onmiddellijke omgeving gedronken. Zo werd het bier o.a. in zijn  2 eigen herbergen tegenover de brouwerijpoort gedronken. De verst verwijderde klant woonde in Wolfsdonk-Langdorp.
Leopold Dockx  (Polleke Sik) was de laatste man die het brouwerijtje uitbaatte. De laatste brouwer was Theodoor Van de Goor (°1876), die van 1890 tot 1914 de roerstok hanteerde.
Volgens de oudste inwoners had het einde van het brouwerijtje vooral met 2 zaken te maken: het bier zou niet lekker van smaak geweest zijn en de herbergier moest het vaak met een truc verkopen (bijvoorbeeld door het in een ander glas te schenken) en dan was er ook nog de Eerste Wereldoorlog  die overal veel ellende meebracht en tot gevolg had dat de productie lange tijd moest stil gelegd worden. Hierbij kwam dan nog dat de Duitse bezetter de koperen brouwketels kwam halen om er munitie van te maken.Het brouwerijtje was dan ook geen lang leven beschoren…
Later werd het brouwerijtje dan omgevormd tot een bierstekerij die uitgebaat werd door oud-wielrenner Alfons Lauwers.
Er wordt wel eens gezegd dat St.-Job veel wonderen verricht heeft …behalve voor de bierbrouwers.

Brouwerij “Den Engel” (aan de molen Van Doren)

Geschiedenis van de molen

De Molen van Doren, genoemd naar de familie van Doren die er ooit woonde , is een Middeleeuwse watermolen die reeds in de 12e eeuw bestond. Hij behoort tot de grootste molens in de Nederlanden. De molen werd verschillende malen verbouwd. De molen was tot op het einde van het  Ancien Régime  en minstens sinds  het begin van de 13e eeuw de heerlijke banmolen van Rotselaar. Van op hun indrukwekkende donjon aan de Dijle te Rotselaar regeerden de heren van Rotselaar sinds de 13e eeuw over Rotselaar, Werchter en geleidelijk aan ook Haacht. In de omgeving van de burcht strekte zich, aan weerszijden van de rivier, hun privé-domein uit, ook de “heerlijke reserve” genoemd. Een belangrijk – en economisch misschien wel het belangrijkste – deel van de reserve, was de watermolen op de Dijle, even ten zuiden van de burcht. Deze molen vervulde een sleutelfunctie in zowel de economie van de dorpsgemeenschap als de privé-economie van de heer. De boeren waren verplicht hun graan te laten malen op de heerlijke molens. Het gebruik van deze voor die tijd hoogtechnologische installatie, betekende een serieuze verkorting van de arbeidsduur: men moest immers op die manier het graan niet thuis met de handmolen malen. Ook de scheepvaart op de Dijle heeft een belangrijke rol gespeeld voor de graanaanvoer.
De Cisterciënzerinnen van Abdij Vrouwenpark (huidig Montfortcollege) hadden  het recht in de 13e eeuw, tussen Pasen en Allerheiligen, de grote Dijlemolens van de heer  te gebruiken. In die periode zouden zij iedere week (behalve in perioden van overstromingen, vijandelijkheden of herstellingen) gratis tien Leuvense mudden (ongeveer 2320 liter) graan mogen malen. Minstens één van de molens was dus een graanmolen. Wanneer de heer herstellingswerken liet uitvoeren aan de molens  moesten zij hem eiken leveren afkomstig uit het “Kloosterbos”.
Uit de middeleeuwse fase is niets bewaard gebleven van de molen.
Minstens sinds de 15e eeuw werd de uitbating van de molens verpacht. Uit een vergelijking tussen de 15e eeuwse pachtprijzen voor diverse watermolens in het Kwartier van Leuven blijkt dat de Dijlemolens van Rotselaar tot de grootste watermolens in dat gebied behoorden. We mogen aannemen dat de heer kosten nog moeite spaarde om dit economisch “hart” van Rotselaar te onderhouden.

Aarschot onder K. van Croÿ, Brussel 1993

 
In 1545 was de dorpsheer Filips II van Croÿ, hertog van Aarschot. Hij liet in 1545 een omstandige inspectie uitvoeren in het ganse hertogdom Aarschot. In dat verslag vinden we de volgende beschrijving van het molencomplex :  Er zijn twee molengebouwen, tegenover elkaar gelegen. Aan elk gebouw draaiden twee raderen. We zouden dus vier molens verwachten, maar de tekst maakt alleen melding van: een graanmolen, een moutmolen bedoeld voor de brouwers en een olieslagmolen. In een iets latere beschrijving van de gebouwen (tussen 1606 en 1612) door François Liénard, secretaris van de machtige Karel van Croÿ, is nog slechts sprake van één molengebouw. Dit molengebouw is voorzien van twee raderen, die een graanmolen en een schorsmolen aandrijven. Een schorsmolen diende voor het winnen van looistof uit (eiken)boomschors. Deze schorsmolen heeft blijkbaar de oude moutmolen vervangen. De tekst beschrijft ook duidelijk het nog bestaande bakstenen 16de eeuwse molenaarshuis. Dit huis wordt naast het molengebouw gesitueerd . Die molen is opgetrokken in vakwerk, maar draagt wel een pannendak.  De grootse plannen van Karel van Croÿ om te  Rotselaar een kopie te bouwen van zijn molens te Aarschot (de huidige ’s Hertogenmolens) werden nooit uitgevoerd. In de loop van de 17e eeuw ging het snel bergaf met de molen. In 1656 was de molen (wellicht worden bedoeld: de beide molens) niet meer dan een krot; ook de molensluis stond op instorten. Vanaf 1662 laat de hertog van Arenberg grondige renovatiewerken uitvoeren. In 1662-1664 werd een nieuwe sluisconstructie gebouwd, die tot in de zeventiger jaren van vorige eeuw in gebruik bleef. In 1664 werd naast het bakstenen 16e-eeuwse woonhuis met traptorentje het nog bestaande molengebouw opgetrokken. Tijdens de hele renovatiecampagne wordt niet meer gesproken over het molengebouw op het Dijle-eiland. We mogen daarom aannemen dat het vervallen bouwwerk kort na 1656 werd afgebroken.
In 1777 vond een grondige restauratie van het complex en het boerderijgebouw plaats, tevens werd een nieuwe paardenstal gebouwd. In die tijd bestond het bakhuis al. Ook waren er reeds varkensstallen en een schuur. Van omstreeks 1850 dateert de huidige schuur. De familie Van Doren naar wie de molen genoemd is ,was vanaf 1848 pachter en werd in 1902 eigenaar. Deze familie Van Doren behoorde tot de katholieken en was een concurrent van Brouwerij Mena!  Ze was eveneens één van de medestichters van de fanfare St.-Cecilia, die nadien door een twist tussen katholieken en liberalen verdeeld werd. Nadien richtten de katholieken hun eigen fanfare “ de Ware Vrienden “ op, waartoe de familie Van Doren behoorde.
De molen werd gemoderniseerd en vergroot, toen 2 molenraderen vervangen werden door een krachtige waterturbine (1902) en er een imposant silogebouw werd opgericht (1902). Sinds 1907 wordt er reeds elektriciteit opgewekt, niet evident voor  die tijd. Rond 1900 waren er 7 à 8 cafés in de onmiddellijke omgeving van de molen gelegen. Er was ook een “Molenkermis”, “Molen” was een gehucht waar heel wat mensen woonden.  De molen werd buiten gebruik gesteld in 1968 en werd in 1973 niet langer bewoond.
Vlakbij de molen , tussen de twee Dijlebruggen van Rotselaar, was er sinds de 16e eeuw “Brouwerij de Engel” van de familie Swiggers. De naam  “de Engel” werd tot in de 19e eeuw behouden! De familie Vanderborght nam afstand van de vrome naam én van de brouwerij. Onze voorouders gaven hun brouwerijtjes vaak een godsdienstige naam of de naam van een heilige. Denk maar aan brouwerij St.-Antonius (17e eeuw), brouwerij St.-Joris (17e eeuw) of later brouwerij St.-Job in Wezemaal.

Slag aan de Molen

Toen van 6 tot 14 september 1914 in Frankrijk de Slag aan de Marne woedde, probeerden Belgische soldaten de druk op de Franse troepen enigszins te verlichten door aanvallen in de rug van de Duitsers te ondernemen. Van 8 tot 14 september raakten Belgen en Duitsers slaags  over een front  dat zich van Leuven tot Zemst uitstrekte. Op 12 september werd in de streek van Wijgmaal-Rotselaar-Wakkerzeel  een hevig artillerieduel uitgevochten, waarbij de Molen van Rotselaar in het centrum lag. Na deze Slag aan de Molen werden in Rotselaar 307 Belgen en 57 Duitsers begraven. Er werd een gedenksteen opgericht voor de slachtoffers (even voorbij de molen). De Slag aan de Molen wordt jaarlijks nog herdacht.

De  huidige toestand

Momenteel wordt het hele machinepark van de maalderij gerestaureerd door de Firma Memibo onder toezicht van het Agentschap Onroerend Erfgoed en Dirk Vansintjan, bestuurder  van Ecopower cvba. De groene stroom van de turbine wordt door Ecopower aan zijn coöperanten verkocht. Inmiddels wonen er rond het erf een dertigtal personen. Jaarlijks worden er Molenfeesten gehouden het weekend na 15 augustus. De molen is een beschermd monument.
Hoewel er weer vis op de Dijle leeft wordt deze rivier vaak gebruikt als een open riool. Momenteel wordt er een vistrap gebouwd (2009-2010). Aan de Molen van Doren wordt dagelijks ongeveer een halve ton vuil uit de Dijle gehaald! Er werd reeds twee keer een lijk vastgesteld in het water…Reinigen is nodig, omdat er in de molen een turbine werkt die elektriciteit opwekt voor de coöperanten van Ecopower Vlaanderen. Dirk Vansintjan is de molenaar en eveneens één van de bewoners van de molen van Rotselaar. De molen en de turbine zijn te bezichtigen na contactname met de molenaar. Ecopower wil in de toekomst een bezoekerscentrum uitbouwen rond malen en hernieuwbare energie. Zowel toeristen als scholen zullen in de toekomst hier aan hun trekken komen. Het zal zeker en vast een meerwaarde zijn voor het toerisme in Rotselaar en het Hageland.
 
Administratief centrum
Provinciebaan 20
3110 Rotselaar

Tel.: 016 61 63 11
Gratis: 0800 94 154
Fax: 016 61 63 93
E-mail: info at rotselaar.be